Column: Breekt los van uw kettingen


“Madammen met een bontjas zijn gemeen”, zingt Urbanus aan het begin van de jaren ’80. En gelijk heeft hij, want bontjassen worden gedragen door chiqué madammetjes en ik heb het ook niet voor chiqué madammetjes (ik hou niet van rijke mensen), zeker niet als ze zelf marters en vossen met zachtje pelsjes omleggen in een achterhoekje van hun tuin, net naast de compostbak. Maar toch, net zoals Urbanus is “dierenbont is slecht” een hopeloos verouderde theorie – die we ook net als zijn humor van zo’n 50 jaar terug niet bij de compost, maar bij het restafval kunnen gooien. Dat kunt ge niet meer recycleren. Want ondanks de gruwelijke dierenbehandeling die komt kijken bij het vervaardigen van zo’n warme winterjas, is er weldegelijk nog iets schadelijkers: nepbont. Dat wordt namelijk gemaakt van plastiek, en draagt ongetwijfeld bij tot een (voor sommigen) verrassende massavervuiler: de modeindustrie. Die industrie zal welkeen type bont nooit schrappen uit hun materiaalkoffer, dus geen enkele van de twee opties kiezen is… niet echt een optie. Duurzaam is de productie van zulk nepbont niet, en dieren vandaag de dag ombrengen om hun schone pels is niet meer politiek correct. Zeker niet als we het hebben over bedreigde diersoorten, en van duivenveren kunt ge volgens mij weinig draden spinnen. Enfin. Dit is geen betoog voor dierenrechten of tegen plastiek in de mode – om beesten geef ik al evenmin als om het milieu – maar laat het toch net zo’n jas geweest zijn die mij de afgelopen weken zwaar gekloot heeft.


Ik heb zelf een jas van nepbont, en ik hou van die jas, jazeker, want hij is bijzonder warm en ik waan me spontaan in de ‘Robbers’ muziekvideo van de Britse band The 1975, mijn Tumblr 2014 dromen waarmakend. Dromen blijven echter niet duren. Die zalig warme jas heeft één gebrek: de zakken. Opnieuw werd ik slachtoffer van het patriarchaat, want vrouwen hebben precies geen deftige zakken nodig in hun kleren. Hoezeer ik ook van een goede handtas houd: ik wil gerief kunnen wegsteken, godverdomme. Zeker als ik aan het fietsen ben, terwijl voorgenoemde indieband door mijn trommelvlies blèrt via mijn hoofdtelefoon, die verbonden is met mijn gsm. Ja, aan airpods of eender wat doe ik niet mee, de pot op met uw veel te dure tandenborstelstokken. Ik wil fysiek contact. Een draad. Een penetratieve plug. En mijn gsm in mijn jaszak, zoals altijd.

 

In zo’n staat was ik dus onderweg, lekker fietsend, wind in mijn haar, gsm in mijn jaszak, muziek in mijn oren. Tot de patriarchale drang van grootsheid, weerspiegeld in de grootte van mijn telefoon, en de tegenstrijdige minisculiteit van mijn bontjas’ zakken uit balans raakten. Mijn gsm viel uit mijn jaszak terwijl ik aan volle snelheid de Portus Ganda binnenreed. Ach, ach, het lot wou dat hij zijn nek brak, niet maar een been ofzo, neen, heel het skelet van mijn socialemediaverslaving versplinterde op de verharde weg. Muziek abrupt weg, piepende remmen, o wee, o wee, niet mijn zielskind, niet mijn derde handpalm!

Mijn gsm was dus kapot. In het midden van het scherm stak een kruispunt van 3 barsten, alsof iemand het hart van het toestel had doorboord, stab to kill. De schade was aangericht.

Dat was enkele weken terug – en sindsdien werd de zwarte vlek rondom de barsten enkel maar groter en groter. Tussendoor begonnen mijn pixels af en toe helemaal te flippen, tot wanneer ik er eens goed met de zijkant tegen de tafel sloeg tot wanneer ze terug gestabiliseerd waren. Het heeft een paar keer gewerkt, tot een paar dagen geleden. Toen liet ik hem (weer) zélf vallen en was het verhaal ook echt gedaan.

Nu zit ik zonder smartphone. Ik ging één dezer dagen naar de Mediamarkt tsjollen in Zwijnaarde (bestaat niet echt), maar ik heb het niet gedaan. Ik ga het ook niet doen.


Toen het accident net gebeurd was en mijn bakje nog wel werkte (half), bedacht ik me hoe bevrijdend het zou zijn om geen smartphone te hebben. Ik ben zelf quasi verslaafd aan dat ding, tot mij eigen frustratie toe. Ik wil er al langer van af. En zie nu, hoe God mij de perfecte kans schenkt. Vergiffenis voor mijn internetgebruikzonden, verlossing van de secundaire overheerser van mijn jonge leven. Ik mag terug ademen. Ik mag terug vrij zijn.

Ik heb zin om echt terug foto’s te trekken. Om te lezen en te schrijven in verloren tussentijden, of gewoon voor me uit zitten staren in plaats van vastgekluisterd te zitten aan een rechthoekige plaat van metaal. Ik ga terug in de wereld zijn. Ik ga meer en beter slapen. Ik ga meer van muziek kunnen genieten. En de praktische zaken, daar heb ik al oplossingen voor.


Foto’s ga ik maken met een Papershoot, een soort lichte camera bestaande uit een plastieken moederbordje tussen karton. Ik zal altijd een boek meenemen, of een tijdschrift, of de krant. Mijn dagboek zal ik bijhebben als derde long, om in te ventileren en boodschappenlijstjes in op te schrijven. Voor de muziek, die zuurstofmachine, haal ik mijn iPod Nano vanonder het stof. Dat ding meet precies 3,5 centimeter op 3 centimeter en kan aan mijn kleren geklikt worden. Geen jaszak die daartegen op kan. Sms’en en bellen doe ik nog via een Nokia, een baksteen zoals mijn generatie zegt, en enkel mijn echten zullen mij weten te bereiken. Als gíj mijn nummer niet hebt, dan moet gij mij ook niet kunnen vinden. Ik zal altijd wat cash meedragen, want waar ze enkel Payconiq en geen Bancontact hebben, aanvaarden ze meestal wel cash. Dat kleingeld is al goed meegenomen voor de straatmuzikanten, van wie ik altijd vergeet dat ik ze tegenkomen kan. Voor de rest heb ik mijn ogen en mijn benen en mijn handen en mijn oren en ik ga ze gebruiken ook.

Voor al dat gerief ga ik dan toch een handtas nodig hebben, zeker?

Comments